meester Henk - SPORTEN
 
(Advertentie)
(Advertentie)
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
Zie : windvanger

@meesterhenkvink 2015
In de bocht hangen vs de fiets van je wegdrukken
via @meesterhenkvink 2015

Het lijkt een vreemde uitspraak. Ik zal proberen uit te leggen hoe dat werkt :

normaal gesproken stuur je "met je stuur", maar wanneer de snelheid hoger wordt, moet je met je lichaam sturen. Motorrijders en wintersporters herkennen dat wel.


Je stuurt door je schouders, heupen of je gehele bovenlichaam te "verplaatsen", je balans te veranderen. Bij heel hoge snelheden moet je "in de bocht te gaan hangen".

 

Nog een mogeljkheid om een bocht zeer scherp aan te snijden is de (motor)fiets van je af te duwen (in de richting van de bocht met gestrekte amen). Je bovenlichaam blijft (vrijwel) rechtop. Dit zie je in de wegwielrennerij niet vaak gebeuren.


Wat gebeurt er wanneer het tussen de oren niet goed zit (je angst hebt) ? Dan verkramp je en gebeuren er twee dingen:

  1. je zit stijf op je fiets, je verandert de balans niet meer. Op zo'n moment wil de fiets eigenlijk alleen nog maar rechtdoor !
  2. je zet het gewicht op je stuur. Dat "staat nu vast" met min of meer hetzelfde effect. Je ziet renners dan ook in "3x" door de bocht gaan d.w.z. je moet corrigeren in plaats van een vloeiende lijn te rijden;
  3. je gaat remmen in de bochten. Dat is heel gevaarlijk, want dat bemoeilijkt het sturen (bij blokkerende wielen - auto, motor- kun je zelfs helemaal niet meer sturen. Bovendien is het gevaar dat je onderuit gaat veel groter, omdat je fiets niet meer rechtop is en het zwaartepunt naast de fiets ligt. Je glijdt gemakkelijker weg met die dunne bandjes zonder profiel.

               

Is het je ooit overkomen, is het lastig weer te corrigeren. Bij iedere "misser" (hoe klein ook) komt de vorige keer dan boven en loop je weer het risico te gaan verkrampen.

 

uit eigen ervaring @meesterhenkvink 2015

 

 

via @meesterhenkvink 2015

Een ander facet van het goed afdalen is het feit dat je "moet kijken waar je heen wilt". Zit je verkrampt, zie je vooral de gevaren (hekjes, muurtjes e.d.) ipv dat je "door de bocht kijkt". Prompt rijd je tegen zo'n hekje, muurtje. Ooit is er een motorrijder tegen een eenzame boom in de woestijn gereden om die reden.


Tenslotte leer je als motorrijder dat je in een bocht altijd tegen de "buitenkant" aan blijft rijden, tot je weer door de bocht kunt kijken en dan pas "instuurt".

Waarschijnlijk heeft dat ook te maken met de krachten op het achterwiel wanneer je weer gas geeft, naast het gevaar van een eventuele tegenligger. Een wielrenner heeft van het eerste minder last en van het tweede (als het goed is) tijdens de koers helemaal niet !

uit eigen ervaring @meesterhenkvink 2015

via @meesterhenkvink 2015

De werking van het tandwiel gaat uit van het dode punt. Je levert vooral kracht met je benen als je een verticale beweging maakt. De horizontale beweging van de benen levert weinig positieve bijdrage aan de snelheid en moet volgens de theorie dus zo kort mogelijk gehouden worden. Die horizontale beweging valt samen met het dode punt; als je trappers op hun hoogste en laagste punt zijn.

 

@meesterhenkvink 2015

Uit studie blijkt dat het ovale blad in het ideale geval, wanneer het tandwiel voldoende ovaliteit heeft en bij hoge trapfrequentie (90 omwentelingen per minuut of meer) gebruikt wordt, een dynamisch voordeel van ongeveer 8 Watt oplevert.

 

Het heeft dus alleen zin bij zeer hoge trapfrequenties, vandaar het lichte verzetje van Froome bergopwaarts.'

 

@meesterhenkvink 2015

Heeft een ovaal blad alleen voordelen ?

Een ovaal blad heeft ook nadelen. Het is technisch wat moeilijker te schakelen en daardoor gevoeliger voor pech. ook de ketting heeft meer te lijden.

 

@meesterhenkvink 2015

 

Een goede voorbereiding is het halve werk !
@meesterhenkvink 2014
@meesterhenkvink 2014
via @meesterhenkvink
Renners zijn hier "op de kant" gezet, waardoor er meerdere groepen ontstaan.
@meesterhenkvink 2014
Bidons uitdelen in een rijdend peloton ziet er zo uit
Radio Tour de France tourflits (volledig)
via @meesterhenkvink
valpartijen zijn aan de orde van de dag
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
Johnny Hoogerland in het prikkeldraad (2011)
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink

Yurls is (ook) delen. Het heeft me echter menig uur gekost deze site te maken en ik hoop dan ook dat je, wanneer je de info van deze site op je eigen site gebruikt, zo sportief bent een link naar deze te maken.

 

Henk

 

Een overzicht van de info die je hier kunt vinden of via links kunt vinden.
Gele trui = snelste renner in totaal ; groene trui = renner, die het vaakst bij de top eindigt in een etappe ; "bolletjes"trui = bergklassement ; witte trui = snelste jeugdige renner
via @meesterhenk
Het rode rugnummer is voor de strijdlustigste renner van de vorige etappe. Deze verandert dus (vrijwel) elke dag van renner.
@meesterhenkvink 2014
Waar komt die gele trui vandaan ? (clipphanger)

Iedere ploeg heeft een zgn. "kopman" (soms twee). Dit de renner waarvan de ploeg verwacht dat hij het hoogst in het klassement komt. De andere renners moeten hun kopman zoveel mogelijk helpen (bij pech, achterstand, bij de ravitaillering en om hem aan de kop van het peloton te houden).

 

 

De kopman van iedere ploeg is te herkennen aan het rugnummer dat op een 1 eindigt (1- 11 - 21 -31 enz.)

 

@meesterhenkvink 2015

via @meesterhenkvink 2015
Eten, eten en nog eens eten (zie ook "hongerklop")

Om hard te kunnen fietsen, moet de Touratleet ook een flinke maaltijd op, zo'n 7000 kilocalorieën per dag(bijna 3x zoveel als normaal !). Het dieet van een Tourrenner zou kunnen bestaan uit:

  • 3 bakjes rauwkost 45 kcal
  • 1 bord havermoutpap 175 
  • 1 appel 70
  • 6 grote lepels gekookte groente 93
  • 8 mueslirepen 860
  • 6 snee volkorenbrood 491
  • 2 sinaasappels 50
  • 2 flessen energiedrank 660
  • 5 flessen isotone sportdrank 575
  • 1 grote lepel gekookte rijst 80
  • 1 beker sojamelk 95
  • 660 ml cola en sinas 271
  • 1 glas cola 63
  • 2 plakken ontbijtkoek 156
  • 2 kipfilets 376
  • 1 schaaltje muesli 166
  • 50 gram aardbeien 15
  • 1 eetlepel honing 64
  • 200 gram pasta 718
  • pindakaas (voor 1 snee) 101
  • 200 gram halfvolle kwark 206
  • 5 eetlepels spijsolie 447
  • omelet van 2 eieren 220
  • 2 glazen sinaasappelsap 132
  • 1 sauslepel desertsaus 473
  • plakjes rozijnencake 371
  • 1 banaan 124
  • jam (voor 1 snee brood) 74
  • 50 gram gemengde noten 324
  • boter (voor 3 boterhammen) 111

 

bron: Volkskrant  via @meesterhenkvink 2015

via @meesterhenkvink 2016

Sportdranken bevatten zout, maar het verlies aan zout, kun je na het sporten ook met gewoon eten weer aanvullen. 


Sportdranken bevatten suiker en calorieën. In sportdranken zoals AA-drink zitten 130 kilocalorieën en in Extran Energie zitten 200 kilocalorieën per flesje. Deze dranken zijn vooral bedoeld voor gebruik bij intensieve en langdurige inspanning, maar van geen of weinig waarde voor recreatiesporters.

 

bron:voedingscentrum.nl via @meesterhenkvink 2015

 

Soms moet je snel méér energie hebben, soms moet het langzaam in je lichaam komen : de isotone waarde
via @meesterhenkvink 2016

Er zijn drie verschillende soorten sportdrankjes. Het verschil ligt in de snelheid van opname in je lichaam. Water is bijvoorbeeld sterk hypotoon, dus wordt snel opgenomen en is daardoor een goede dorstlesser. Nadeel daarvan is dat je het zo weer uitplast. En hypotone drankjes bevatten minder energie.


Drankje met een hypertone werking geven meer energie dan hypotone. Maar de opname duurt lang. Het is daarom niet verstandig om een hypertoon drankje te nuttigen voor of tijdens het sporten. Vruchtensappen zijn sterk hypertoon.


Het beste wat je kunt drinken is een isotoon drankje. Je lichaam kan de stoffen snel opnemen en dat is handig tijdens het sporten. Ook na het sporten is het beter om een isotoon drankje te drinken, dan een hypertone energieboost.

 

bron: gezondheidsnet.nl  via @meesterhenkvink 2015

Voordat je gaat sporten kan je het beste twee uur van tevoren een hypotoon of isotoon drankje drinken. Water is het beste vlak voordat je gaat sporten. Wil je goed herstellen na het sporten? Drink dan binnen twee uur na je inspanning een hypertoon drankje.

 

bron: gezondheidsnet.nl  via @meesterhenkvink 2015

Ketonen: superbenzine voor de wielrenner (?)
via @meesterhenkvink 2015

Afloper - band, die langzaam leegt loopt

 

Bezemwagen - De wagen, die achter de laatste renner in een étappe rijdt en indien nodig fiets en renner kan opnemen.


Bidon - Een "flesje" met drank


Bidon collant - wanneer een renner een bidon, gegeven vanuit de ploegleiderswagen, wat (te) lang vasthoudt en dus even wordt meegetrokken. Gebeurt nog wel eens bergopwaarts of net achter het peleton (om weer aan te kunnen sluiten).


Bonificatie (seconden) – Extra tijdwinst (in seconden), die je krijgt door een goede prestatie bij een rit (de winnaar en de volgende renners). Dit kan bij tussensprints en bij de finish.

 

 

Aan de boom schudden - hard doorrijden om tegenstanders in de kopgroep te lossen.

 

 (de) Bus - groep renners die niet mee kan in de bergetappes en gezamenlijk in een rustiger tempo naar de finish fietst. De chauffeur van de bus is doorgaans een ervaren renner die het tempo zodanig regelt dat de groep nog binnen de toegelaten tijd aan de finish komt.

 

Chasse patate – wanneer je probeert een (kop)groep te achterhalen, maar dat niet lukt en je tussen de (kop)groep vóór je en een groep achter je blijft rijden.

 

Demarreren/demarrage – het in één keer van de andere renners wegrijden.

 

 

De deur dichtdoen - (bij een sprint) van de eigen lijn afwijken en daardoor de tegenstander de pas afsnijden.

 

De dood of de gladiolen - (in de laatste fase van een wedstrijd) zo hard mogelijk fietsen en maar kijken wat het resultaat is: de bloemen of helemaal niks.

 

D'r op en d'r over - een renner of groep inhalen, en vervolgens direct voorbij rijden.

 

(aan het) Elastiek hangen - achter in een groep fietsen en op het punt staan gelost te worden.

 

Erdoor komen 
een inzinking te boven komen 

Erdoor zitten 
een inzinking niet te boven komen 

 

Een gat laten vallen - niet meer aan kunnen sluiten bij iemand die harder gaat rijden.

 

Geparkeerd staan - nauwelijks nog bergop kunnen fietsen zodat de renner bijna stilstaat.

 

Een getectyleerde renner - Een ervaren (wat oudere) renner "die alles al heeft meegemaakt" (vnl. met betrekking tot valpartijen)

 

 

Goede benen hebben - goed in vorm zijn.

 

De koers hard maken -groepsgewijs een hoog tempo rijden, waardoor ontsnappingen worden bemoeilijkt.Verg.: een harde etappe

 

Hij zit te harken - hij rijdt zwoegend (maakt veel extra bewegingen met z'n lichaam)

 

Hongerklop – vaak tegen het einde van een lange koers. Je lichaam vraagt veel energie en dat moet je tijdens de rit d.m.v. eten (en drinken) bijvullen. Als je moe bent kost dat soms moeite (je hebt er geen zin in) op tijd te doen. Heb je eenmaal  “hongerklop” , ben je te laat !

 

Een kaart spelen - Als je een rit (of koers) als het kaartspel beziet, moet je om te winnen een bepaalde kaart (troef) op het goede moment spelen. In de rit is dat een bepaalde renner, die je wilt laten winnen.


Op de kant gaan - Dat doen renners wanneer de wind schuin van voren komt. Zie : een waaier trekken

 

 Op karakter fietsen - het fietsen niet opgeven ondanks pijn (door kwetsuur).

 

Klimgeit - Zo noemen ze een renner die "gemakkelijk" tegen een berg oprijdt.

 

Koers binnen een koers - Zie Wedstrijd binnen een wedstrijd.

 

Koninginnerit - een etappe (rit) in de Giro/ Tour de France of Vuelta waar veel spanning te verwachten is. Meestal een (lange) rit met een paar zware beklimmingen (en afdalingen)


Kop over kop rijden - lijkt op waaieren, maar het gaat er om in een groep zo hard mogelijk te rijden voor tijdwinst. Iedere renner rijdt even op kop (vooraan) en laat zich dan zakken tot achteraan de groep.

Rijden als een natte krant – slecht rijden

 

 

Een kwak - (Bewust) van de rechte rijlijn afwijken. Hierbij wordt een tegenstander gehinderd, die schrikt en trapt even niet of valt zelfs. Dit gebeurt voornameljk bij een sprint.

 

Linkeballen – tegen het einde van de wedstrijd geen of weinig kopwerk meer verrichten, waardoor je minder inspanning hoeft te verrichten.

 

Loper - Een berg, die een vrijwel constant hellingspercentage heeft. Een renner kan dan "gemakkelijk" in zijn ritme komen en blijven.

 

Lossen – niet meer met de groep mee kunnen komen.

 

Meet – de finishlijn

 

Omslagpunt - wanneer je in het rood gaat rijden. (Je gebruikt teveel energie, dat wordt niet meer aangevuld door voeding of drank en de lichaamsreserve wordt aangesproken) 

Op de grote molen - met een groot verzet, een grote versnelling op de fiets rijden.

 

Het nieuwe wielrennen -wielrennen zonder doping, term ingevoerd na de doping-affaires van 2006 en 2007.

 

Oortjes – renners rijden tegenwoordig met koptelefoontjes in hun oren en krijgen daardoor instructies van de ploegleider. Deze krijgt informatie door een tv in de auto en op andere manieren en weet dus “precies”wat er allemaal gebeurt. Hierop wordt de tactiek afgestemd. Veel liefhebbers vinden dat niet zo leuk, omdat het vroeger meer om de wielrenner zélf ging.  

 

Ploegleider – de baas (leider) van de ploeg. Hij fietst zelf niet mee, maar zit in een auto, die meerijdt. Van daaruit geeft hij aanwijzingen aan de renners, indien nodig.

 

Ravitaillering - Op bepaalde plekken staan helpers klaar om voedsel en drank aan de renners te geven. Dit zit in een tasje en is nog een hele kunst om goed af te geven en al rijdend goed aan te pakken.

 

Recupereren - herstellen na een zware krachtsinspanning. Bijv. na een zware bergbeklimming of na een zware etappe.

 

 op reserve rijden - "rustig" aan om energie te sparen

 

 De rit overleven – Zorgen dat je op tijd binnenkomt, zodat je de volgende dag weer mag starten. (klimetappe of na,ernstige, val)


 

Rode lantaarn – de laatste renner van die etappe of de koers heeft die (figuurlijk uiteraard)

 

 

In het rood rijden - constant op het maximum rijden; harder rijden dan goed voor je is 

 

 

 

Op het rooster leggen - de renners worden door de beste in de groep helemaal kapot gereden.

 

Op souplesse rijden - de trappers met een efficiënte techniek rondbewegen, met een hoog aantal omwentelingen.

 

 

De sprint aantrekken - op ruime afstand van de streep zo hard mogelijk rijden zodat de kopman in een ideale positie kan beginnen met sprinten.

 

 

Stoempen – niet meer op “techniek” rijden, maar op kracht (en dat houd je niet lang vol).

 

Je kunt de tour (hier) niet winnen, maar wel verliezen - door pech of een slechte dag kun je niet voorin meerijden en dus tijd verliezen, die later niet (of heel moeilijk) meer ingehaald kan worden.

 

Trein - vooral aan het einde van een etappe, waarbij “alle” renners nog bijeen zijn, zie je rijtjes van een zelfde ploeg zo hard mogelijk rijden om de sprinter de beste kans te geven de rit te winnen.Deze rijdt achteraan de “trein” en wordt als het ware meegetrokken. Hij hoeft dus niet zoveel energie te leveren. Op zo’n 100 mtr voor de finish moet hij dan vooraan rijden en de sprint beginnen. 

 

Tourkaravaan - Vóór de renners uit (ongeveer een uur) rijdt een lange stoet reclamewagens, die van alles "strooit". Petten, bidons etc. Dit is vaak leuker dan het zien van de renners, die in een paar seconden voorbij zijn.

 

De Tour wacht op niemand - er is geen mededogen met pechvogels in de Tour de France.

 

Vals plat – het lijkt alsof je niet op een helling rijdt, maar je doet het wel!


Verdapperen 
tweede adem vinden, opnieuw er tegenaan kunnen 
 

Vierkant door de bocht gaan – slecht bochtenwerk

 

Vierkant rijden 
nauwelijks nog vooruit komen 

Vierkant rondje 
saai parcours bestaande uit rechte stukken weg en met een paar (niet noodzakelijkerwijs 4) weinig interessante bochten 

 

Volgwagen – auto’s die meerijden (niet in de weg uiteraard) en waarin reservemateriaal wordt meegenomen (tot compleet nieuwe fietsen)

 

Waaieren/een waaier trekken – wanneer de wind schuin van voren komt, gaan de renners ook schuin achter elkaar rijden. Dit kan uiteraard alleen tot de laatste renner aan de andere kant van de weg rijdt en er een nieuwe waaier gemaakt moet worden. Omdat de koprenner van de nieuwe waaier alle wind krijgt, zal die nieuwe waaier de eerste niet (of nauwelijks) bij kunnen houden.


Een wedstrijd binnen een wedstrijd - Ook al rijd je niet in de kopgroep kun je toch iets verdedigen. Dit geldt voor alle truien behalve de gele trui.


Een windvanger - Dat is een fiets die gemakkelijk wind vangt en bij harde wind gemakkelijk "weggeblazen" wordt. De grootste windvanger (behalve de renner zelf) is vaak de velg of het gehele wiel (bij tijdrijden wordt vaak een dicht wiel gebruikt).

 

 

Er doorheen zakken – Een renner die alles gegeven heeft in een aanval en door het peloton ingehaald wordt, waarna hij even later zelfs achter het peloton komt te rijden.

 

 

Hij zit in een zetel - hij zit in een zeer voordelige positie als de sprint begint.

 

@meesterhenkvink 2014

via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
(Advertentie)
(Advertentie)
via @meesterhenkvink 2014
Een goede wielrenner weet welk vermogen (hoeveel Watt) hij/zij zou moeten leveren.

@meesterhenkvink 2014

De energie die een sporter kan leveren kun je meten. Dat heet het vermogen en wordt uitgedrukt in “wattages”. Dat woord is wel bekend van de elektrische apparaten in huis. Hoe meer een apparaat zich “moet inspannen”, hoe hoger het aantal Watt. Elektrische apparaten leveren hun vermogen “aan een stuk door”, maar sporters kunnen dat niet.

Je hebt daarom grofweg 3 typen renners (geldt ook voor andere sporten)

  1. Explosieve renners – de sprinters. Kunnen slechts even een zeer hoog vermogen leveren (meestal maar een paar honderd meter). Zij kunnen dan 2000 W halen
  2.  Mix renners – kunnen langer (5-20 minuten) een hoog vermogen leveren, maar ook even explosief zijn
  3.  Duur renners – kunnen “lang” (> 20 minuten) een hoog vermogen leveren en vaker achter elkaar. Zij kunnen echter geen extra hoog vermogen leveren.

 

En dan is er nog een categorie, die, als ze goed in vorm zijn, een extreem duurvermogen hebben.

Tenslotte heb je nog de “klimgeiten”. Dat zijn renners, die een relatief groot vermogen kunnen ontwikkelen, maar bovendien een laag lichaamsgewicht hebben. Zij leveren ongeveer 5,5-6,0 W per kilo lichaamsgewicht. Hoger komt zelden voor.

Wanneer je goed naar de beelden kijkt, zie je ook dat de goede klimmers vaak kleine, “tengere” mannetjes zijn.

 

Kun je daarop trainen ? Niet echt. Je lichaamsgewicht kun je wel iets controleren, maar is best lastig. Je uithoudingsvermogen kun je trainen door op “hoogtestage” te gaan. Hoog in de bergen is minder zuurstof en je lichaam maakt dan (door hard te trainen) meer rode bloedlichaampjes aan. Ga je dan weer “naar beneden” kun je meer zuurstof opnemen en betere prestaties verrichten.

 

Ook is de opbouw van de spieren niet te trainen. Er bestaan

2 soorten spieren (een voor "duur" en eentje voor "explosie". De verhouding tussen die twee krijg je bij je geboorte mee en kun je dus niet veranderen.

 

Een heel apart verhaal in deze is Dafne Schippers. Zij begon als atletieker met de meerkamp en is nu een van 's werelds beste sprintsters op het moment. Wanneer je ook haar lichaamsbouw ziet is dat zeer opmerkelijk.

 

@meesterhenkvink 2015

Het vermogen (P, uitgedrukt in Watt = Joule per seconde) wat een wielrenner levert is het product van kracht (F) en snelheid (v), oftewel P=F*v. Daarbij geldt voor een wielrenner dat v het aantal omwentelingen per minuut is. Zo zal een wielrenner die meer vermogen wil genereren of de kracht moeten vergroten (zwaardere versnelling) en/of het aantal omwentelingen moeten verhogen.

 

Door te berekenen wat je maximale en/of normale vermogen is, kun je dus met een vermogens/wattage meter precies bijhouden of je teveel (sneller moe) of te weinig levert (je had harder gekund).

 

@meesterhenkvink 2014

 

  • 6,0 tot 7,0 Watt/kg professioneel wielrenner
  • 5,0 tot 6,0 Watt/kg amateur wielrenner
  • 4,5 tot 5,0 Watt/kg gemiddeld amateur wielrenner
  • 4,0 tot 4,5 Watt/kg degelijke wielertoerist
  • 3,0 tot 4,0 Watt/kg gemiddelde man van 30 jaar
  • 2,5 Watt/kg gemiddelde vrouw van 30 jaar
  • mannen boven 30 jaar: -1% per jaar boven de 30
  • vrouwen boven 30 jaar: - 0,8 % per jaar boven de 30

 

 

@meesterhenkvink 2015

via @meesterhenkvink 2015
via @meesterhenkvink
Tegen het einde van de tour komt er ook steeds meer humor !
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
De fietsers hebben een ander uitzicht dan de tv kijkers !!
via @meesterhenkvink
nieuwe renner (met toestemming van maker)
via @meesterhenkvink
vaak voorkomende wielerblessure : pianofenomeen
graad 3 = • het AC gewricht is instabiel en het einde van de sleutelbeen kan in het gewricht worden gedrukt (pianotoets fenomeen)
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink 2015

Zitvlakklachten zijn een typische wielerkwaal. Met het zitvlak worden de billen en een aangrenzend stuk van de benen bedoeld (zie plaatje). Daaronder vallen ook de daarbij behorende spieren, pezen, zenuwen en botten. 4 procent van de wielrenners heeft er last van. De oorzaken kunnen zeer divers zijn. Meestal hebben ze te maken met lange (herhaalde) ritten.

 

Onderhuidse ontstekingen 
Onderhuidse ontstekingen openbaren zich vaak als pijnlijke, onderhuidse knobbels. Denk bijvoorbeeld aan (steen)puisten. Met een onderhuidse ontsteking aan het zitvlak kan zitten pijnlijk en soms zelf onmogelijk zijn. Op den duur verdwijnen knobbels niet meer vanzelf. 

Ontstoken slijmbeurzen
Mensen met ontstoken slijmbeurzen hebben vergelijkbare klachten als mensen met onderhuidse ontstekingen. Maar de knobbels zijn minder duidelijk aanwezig. 

 

bron: medicinfo.nl  via @meesterhenkvink 2015

via @meesterhenkvink

Een steenpuist is een acute pijnlijke ontsteking van een haarzakje, veroorzaakt door een infectie met bacteriën. Door de infectie kan het gebied erg ontstoken en gezwollen zijn, waardoor de huid hard aanvoelt, vandaar de naam 'steen'-puist.


Als er meerdere steenpuisten bij elkaar in een groepje zitten wordt dat ook wel een negenoog genoemd (medische term: karbunkel).

 

Een steenpuist is erg besmettelijk; de pus zit vol bacteriën die nieuwe steenpuisten kunnen veroorzaken maar ook andere personen kunnen besmetten.

 

bron: huidziekten.nl  via @meesterhenkvink 2015

via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink
via @meesterhenkvink